Wat is het verschil tussen ERE bij private, semi-publieke en publieke laadpalen?

Drie soorten EV-laadpalen naast elkaar: privé wallbox in garage, zakelijke lader op parkeerterrein en publieke snellader op natte Nederlandse straat.

Het verschil tussen ERE bij private, semi-publieke en publieke laadpalen zit in de toegankelijkheid van de laadpaal, de manier waarop het energieverbruik wordt gemeten en de manier waarop de ERE-registratie plaatsvindt. Private laadpalen zijn uitsluitend bestemd voor intern gebruik, semi-publieke laadpalen zijn toegankelijk voor een afgebakende groep gebruikers, en publieke laadpalen staan open voor iedereen. Dit onderscheid bepaalt niet alleen hoe een organisatie haar ERE-aangifte moet inrichten, maar ook welke meetmethode van toepassing is en wanneer er aangifte gedaan moet worden. In dit artikel beantwoorden we de meest gestelde vragen over ERE per type laadpaal.

Welke laadpalen vallen onder ERE-registratie?

Alle laadpalen waarmee elektrische voertuigen of elektrische bouwmachines worden opgeladen met stroom die niet afkomstig is van fossiele brandstoffen, kunnen in aanmerking komen voor ERE-registratie. Dit geldt voor private, semi-publieke én publieke laadpalen, mits de organisatie voldoet aan de administratieve en technische voorwaarden die de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) stelt.

ERE staat voor Emissiereductie-eenheden. Voor elke kilowattuur die via een geregistreerde laadpaal wordt geleverd aan een elektrisch voertuig, kan een organisatie ERE-certificaten genereren. Deze certificaten vertegenwoordigen de CO₂-reductie die ontstaat doordat elektrisch vervoer fossiele brandstoffen vervangt. De certificaten kunnen vervolgens worden verkocht aan partijen die wettelijk verplicht zijn hun uitstoot te compenseren.

Niet elke laadpaal wordt automatisch geregistreerd. De organisatie die de laadinfrastructuur beheert, moet actief een registratie indienen bij de NEa. Daarvoor zijn onder meer gegevens nodig over het type laadpaal, de locatie, de meetmethode en het energieverbruik. Laadpalen voor elektrische bouwmachines vallen ook onder het systeem, wat de regeling relevant maakt voor een bredere groep organisaties dan alleen bedrijven met een wagenpark.

HAAL MEER UIT UW LAADPALEN

Benieuwd naar uw ERE-vergoeding?

Vul uw gegevens in en krijg direct inzicht in de mogelijke opbrengst.

Start de berekening →

Wat is het verschil tussen semi-publieke en publieke laadpalen voor ERE?

Het belangrijkste verschil tussen semi-publieke en publieke laadpalen voor ERE is de toegankelijkheid en de bijbehorende registratieverplichtingen. Publieke laadpalen zijn vrij toegankelijk voor iedere gebruiker met een laadpas of app, terwijl semi-publieke laadpalen alleen bereikbaar zijn voor een specifieke, afgebakende groep, zoals medewerkers, bezoekers of huurders van een bepaald gebouw.

Voor beide typen geldt dat de hoeveelheid geleverde elektriciteit nauwkeurig moet worden geregistreerd. Bij publieke laadpalen is dit doorgaans eenvoudiger, omdat de laadpaal continu in gebruik is en de sessiedata automatisch worden bijgehouden via een backend-systeem. Bij semi-publieke laadpalen is de situatie complexer: de toegang is beperkt, maar de laadpaal staat wel op een locatie die voor derden bereikbaar kan zijn, zoals een parkeergarage of een bedrijfsterrein met bezoekersparkeren.

Vanuit ERE-perspectief is het onderscheid relevant omdat het de meetmethode en de verantwoordelijkheid voor de registratie beïnvloedt. Bij publieke laadpalen ligt de verantwoordelijkheid vaak bij de exploitant of het laadnetwerk. Bij semi-publieke laadpalen draagt de organisatie die de laadpaal beheert, doorgaans zelf de verantwoordelijkheid voor een correcte ERE-aangifte.

Hoe worden private laadpalen anders behandeld in ERE?

Private laadpalen worden in het ERE-systeem anders behandeld omdat ze uitsluitend toegankelijk zijn voor de eigen organisatie of medewerkers, zonder enige toegang voor externen. Dit heeft gevolgen voor de registratiemethode, de meetverplichting en de manier waarop het verbruik wordt aangetoond tegenover de NEa.

Bij private laadpalen gaat het vaak om laadpunten op een afgesloten bedrijfsterrein, in een besloten parkeergarage of in een intern wagenpark. Omdat er geen externe gebruikers zijn, is het verbruik minder transparant voor toezichthouders. De organisatie moet daarom kunnen aantonen dat de geleverde elektriciteit daadwerkelijk is gebruikt voor het laden van elektrische voertuigen en niet voor andere doeleinden.

Een ander verschil is de drempel voor registratie. Kleinere organisaties met slechts een beperkt aantal private laadpunten voldoen soms niet zelfstandig aan de minimumeis voor ERE-aangifte. In dat geval biedt een inboekdienstverlenerconstructie uitkomst: de organisatie bundelt haar verbruik met dat van andere partijen om gezamenlijk wel aan de drempel te voldoen en toch te profiteren van de ERE-vergoeding.

Welke ERE-verplichtingen gelden per type laadpaal?

De ERE-verplichtingen verschillen per type laadpaal, maar de kern is voor alle typen gelijk: de organisatie moet het laadvolume nauwkeurig registreren, de gegevens aanleveren aan de NEa en kunnen aantonen dat de elektriciteit is gebruikt voor het laden van elektrische voertuigen of bouwmachines.

Per type laadpaal gelden de volgende aandachtspunten:

  • Publieke laadpalen: Verplichte aansluiting op een gecertificeerd backend-systeem dat sessiedata registreert. De exploitant is verantwoordelijk voor de aangifte en moet kunnen aantonen dat de laadpalen vrij toegankelijk zijn.
  • Semi-publieke laadpalen: De beherende organisatie is verantwoordelijk voor de registratie. Er moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen intern en extern gebruik, en de toegangsregeling moet worden gedocumenteerd.
  • Private laadpalen: De organisatie moet het verbruik per laadsessie of via een erkende meetmethode kunnen verantwoorden. Bij onvoldoende volume is deelname via een inboekdienstverlener de aangewezen route.

In alle gevallen geldt dat de elektriciteit niet afkomstig mag zijn van fossiele bronnen om in aanmerking te komen voor ERE-certificaten. Groene stroom of stroom opgewekt via zonnepanelen op het eigen dak voldoet aan deze voorwaarde.

Hoe beïnvloedt het type laadpaal de ERE-meetmethode?

Het type laadpaal bepaalt welke meetmethode de NEa accepteert voor de ERE-aangifte. Voor publieke en semi-publieke laadpalen is een directe meting via een gecertificeerde meter of een erkend backend-systeem de standaard. Voor private laadpalen zijn er in bepaalde gevallen alternatieve meetmethoden toegestaan, mits deze voldoen aan de eisen van de NEa.

Bij publieke laadpalen worden alle laadsessies automatisch gelogd via het laadnetwerk. Deze data vormen de basis voor de ERE-aangifte en zijn doorgaans eenvoudig te exporteren. Bij semi-publieke laadpalen werkt dit vergelijkbaar, maar de organisatie moet er zelf op toezien dat het systeem correct is geconfigureerd en dat de data volledig worden bewaard.

Bij private laadpalen is de situatie soms complexer. Als er geen sessieregistratie beschikbaar is, kan in bepaalde gevallen worden teruggevallen op een vaste rekenmethode op basis van het totale elektriciteitsverbruik van de laadinfrastructuur. Dit vereist echter een duidelijke scheiding van het verbruik van de laadpalen ten opzichte van het overige elektriciteitsverbruik van het gebouw of het bedrijfsterrein.

Wanneer moet een organisatie ERE-aangifte doen voor laadpalen?

Een organisatie moet ERE-aangifte doen voor laadpalen over het voorgaande kalenderjaar. De aangifte vindt jaarlijks plaats en de deadline wordt vastgesteld door de NEa. Voor het jaar 2026 geldt dat organisaties aangifte doen over het verbruik van 2025, tenzij zij nog niet eerder geregistreerd stonden en een inhaalregistratie indienen.

De aangifte bestaat uit een aantal stappen:

  1. Registreer de laadpalen bij de NEa voordat het meetjaar begint of uiterlijk aan het begin van het jaar waarover aangifte wordt gedaan.
  2. Verzamel alle laaddata over het volledige kalenderjaar, inclusief het aantal kilowatturen per sessie en de datum van elke laadsessie.
  3. Verifieer of de gebruikte elektriciteit voldoet aan de herkomsteis (niet-fossiel).
  4. Dien de aangifte in via het systeem van de NEa binnen de gestelde termijn.
  5. Ontvang de ERE-certificaten en verkoop deze op de markt of via een erkende partij.

Organisaties die voor het eerst aangifte doen, onderschatten vaak de administratieve voorbereiding die nodig is. Een tijdige registratie en een correcte inrichting van de meetinfrastructuur zijn essentieel om geen aangifte te missen en geen inkomsten mis te lopen. De ERE-vergoeding voor laadpalen kan oplopen van €0,13 tot €0,26 per kWh, afhankelijk van de marktomstandigheden.

Hoe Energy-Check helpt met ERE-registratie voor laadpalen

Energy-Check verzorgt de volledige ERE-registratie voor organisaties met laadpalen, van de eerste aanmelding bij de NEa tot en met de jaarlijkse aangifte en de verkoop van de ERE-certificaten. Zo profiteert u van de financiële opbrengst zonder dat u zelf de administratieve lasten hoeft te dragen.

Wat Energy-Check voor u regelt:

  • Beoordeling van uw laadinfrastructuur en het vaststellen van het juiste type registratie (privaat, semi-publiek of publiek)
  • Registratie van uw laadpalen bij de NEa en inrichting van de juiste meetmethode
  • Jaarlijkse verzameling en verwerking van de laaddata voor de ERE-aangifte
  • Verkoop van de ERE-certificaten tegen de best haalbare prijs, met een vergoeding tussen €0,13 en €0,26 per kWh
  • Toegang tot de inboekdienstverlenerconstructie voor kleinere organisaties die niet zelfstandig aan de minimumeis voldoen

Energy-Check is onafhankelijk en niet verbonden aan energieleveranciers of laadnetwerken, waardoor het advies altijd in uw belang is. Wilt u weten wat ERE-registratie voor uw organisatie oplevert? Neem contact op voor een vrijblijvend gesprek.

Veelgestelde vragen

Kan ik ERE-certificaten genereren als mijn laadpalen zowel door medewerkers als bezoekers worden gebruikt?

Ja, dat is mogelijk, maar de laadpaal wordt dan doorgaans geclassificeerd als semi-publiek. U bent als beherende organisatie zelf verantwoordelijk voor de ERE-registratie en moet kunnen aantonen welk deel van het verbruik toebehoort aan de afgebakende gebruikersgroep. Zorg ervoor dat de toegangsregeling goed gedocumenteerd is en dat uw backend-systeem alle laadsessies correct registreert.

Wat gebeurt er als ik mijn laadpalen niet op tijd registreer bij de NEa?

Als u uw laadpalen niet registreert vóór of aan het begin van het meetjaar, loopt u het risico dat het verbruik over dat jaar niet in aanmerking komt voor ERE-certificaten. U mist dan de bijbehorende financiële opbrengst, die kan oplopen tot €0,26 per kWh. Een inhaalregistratie is in bepaalde gevallen mogelijk, maar dit is afhankelijk van de regels die de NEa hanteert voor het betreffende jaar. Tijdig registreren is dus essentieel.

Mijn organisatie heeft slechts twee of drie laadpunten. Heeft ERE-registratie dan nog zin?

Ja, ook voor kleinere organisaties kan ERE-registratie financieel aantrekkelijk zijn. Als u niet zelfstandig voldoet aan de minimumeis voor aangifte, kunt u gebruikmaken van een inboekdienstverlenerconstructie, waarbij uw verbruik wordt gebundeld met dat van andere partijen. Op die manier profiteert u alsnog van de ERE-vergoeding zonder dat u aan de minimumdrempel hoeft te voldoen.

Welke eisen stelt de NEa aan de herkomst van de elektriciteit voor ERE-certificaten?

De NEa vereist dat de elektriciteit die via uw laadpalen wordt geleverd, niet afkomstig is van fossiele bronnen. Groene stroom van een energieleverancier met een geldig Garantie van Oorsprong-certificaat (GvO) of stroom opgewekt via eigen zonnepanelen voldoet aan deze herkomsteis. Als u twijfelt of uw huidige energiecontract hieraan voldoet, is het verstandig dit te laten beoordelen voordat u de ERE-registratie indient.

Hoe weet ik of mijn huidige backend-systeem geschikt is voor ERE-aangifte?

Een geschikt backend-systeem moet in staat zijn om per laadsessie het aantal geleverde kilowatturen, de datum en het tijdstip te registreren en deze data exporteerbaar te maken voor de NEa-aangifte. Controleer bij uw laadpaalleverancier of het systeem voldoet aan de eisen van de NEa en of de data volledig en ononderbroken worden opgeslagen. Als uw systeem hier niet aan voldoet, kan een gespecialiseerde partij zoals Energy-Check helpen bij het inrichten van de juiste meetinfrastructuur.

Kan ik ook ERE-certificaten genereren voor laadpalen die elektrische bouwmachines opladen?

Ja, laadpalen voor elektrische bouwmachines vallen ook onder het ERE-systeem, mits de elektriciteit niet afkomstig is van fossiele bronnen en de laadpalen correct zijn geregistreerd bij de NEa. Dit maakt de ERE-regeling relevant voor een bredere groep organisaties dan alleen bedrijven met een personenwagenpark, zoals aannemers, bouwbedrijven en terreinbeheerders.

Wat is het verschil tussen zelf aangifte doen en werken via een inboekdienstverlener?

Als u zelf aangifte doet, bent u verantwoordelijk voor de volledige administratie: registratie bij de NEa, dataverzameling, aangifte en de verkoop van de ERE-certificaten. Via een inboekdienstverlener neemt een gespecialiseerde partij deze taken volledig over en bundelt uw verbruik indien nodig met dat van anderen. Dit is vooral voordelig voor organisaties met een beperkt aantal laadpunten of zonder interne capaciteit voor de administratieve verplichtingen.

Gerelateerde artikelen

Deze inhoud is gegenereerd met behulp van AI en kan fouten bevatten.

Delen:

Portret van een oudere man met wit haar in een wit Energy Check-poloshirt.

Onze energie specialisten beantwoorden jouw vragen